Naar Fátima met een handleiding voor pelgrims uit 1929

Fátima, de een noemt het hier thuis ‘je reinste volksverlakkerij’, de ander wil erheen om te bidden voor een been dat kuren vertoont. Fátima. Ach, baat het niet, schaadt het niet. Bovendien kan een beetje bezinning op zijn tijd geen kwaad.

DSC_2686

Voordat we op pad gaan, zoek ik in het familiearchief de doos waar Fátima op staat. Ik meen me te herinneren dat we oude boekjes over de verschijning van Maria hebben. Helemaal verguld kom ik van zolder: we gaan naar Fátima met een gids voor pelgrims uit 1929. Eens kijken hoe het er anno 2016 voorstaat.

Alcobaça: Pastelaria Alcôa

Op weg naar het bedevaartsoord passeren we Alcobaça. En eigenlijk kun je daar niet met goed fatsoen doorheen zonder een pitstop bij Pastelaria Alcôa. Deze banketbakker, in een pijpenla aan het plein tegenover de grote kerk, staat al jaren bekend als een van Portugals beste banketbakkers. Gevuld met hun prijswinnende lekkernijen en enkele voedzame calorieën rijker vertrekken we ruim een uur later richting onze eindbestemming. Die calorieën verbranden we wel in Fátima maken we onszelf wijs. Maar ja, hoeveel calorieën verbrand je al biddend?

DSC_2673

DSC_2677

Guia do Peregrino uit 1929: een handleiding voor pelgrims

Nee, dan in 1929. Twaalf jaar na de verschijning van de Heilige Maagd Maria is Fátima nog lang niet het bedevaartsoord van nu. De schrijver van de gids uit 1929 meldt dat je Fátima absoluut niet kunt vergelijken met Lourdes. “Fátima is niet eens een dorp! Het is een plek waar de geschiedenis aan voorbij zou zijn gegaan, ware het niet dat drie herdertjes – van tien, negen en zeven – op deze desolate heuvel Maria hebben gezien. Maar ook zonder de kunstwerken van Lourdes, zonder grotten en monumenten, zonder tuinen die geschiedkundigen en toeristen kunnen bekoren is Fátima een paradijs”, volgens de man die in 1929 een boekje schrijft voor pelgrims die geen kaas gegeten hebben van het pelgrimschap. Zijn doel: de pelgrims de juiste gebeden bijbrengen en het verhaal van de verschijning vertellen.

DSC_2697

Het tweede deel van de gids staat daarom vol gebeden. Welk gebed zeg je als je voor een zieke komt? Je kunt het er lezen. Het eerste deel gaat over de herdertjes en wat er in 1917 in Fátima is gebeurd. We lezen dat op 13 mei van dat jaar drie herdertjes, Francisco, Jacinta en Lúcia, vanuit Aljustrel waar ze wonen naar een plek niet ver daar vandaan, Cova da Iria, gaan. In Aljustrel, drie kilometer van Fátima verwijderd, kun je tot de dag van vandaag met eigen ogen aanschouwen hoe de drie hebben gewoond. Het toeristische treintje dat door Fátima rijdt, brengt je er zo naar toe. Aandoenlijk zijn de kleine bedjes. En de huisjes zien er ook schattig uit. Maar wat zal het daar een armoe geweest zijn. Bijzonder dat je deze huisjes zó in kunt stappen, zonder toegang te hoeven te betalen. Een gemiste kans om het Portugese begrotingstekort wat terug te dringen, lijkt me…

DSC_2757

DSC_2763
Kamertje van Lucia en haar zus
DSC_2723
Kamer Francisco

DSC_2737

Francisco en Jacinta zijn broer en zus. Lúcia is een nichtje. Ze wonen niet ver van elkaar. De omgeving oogt als een bucolisch paradijs: olijfbomen, kurkeiken en veel schaduw. Ik zie hun schapen scharrelen.

DSC_2780

DSC_2770

Volgens onze oude gids houden de godvruchtige herdertjes enorm van bidden: “Op 13 mei 1917 stelt Lúcia, even voor het middaguur, voor de handen te vouwen en een gebed te zeggen. Het loopt ten slotte bijna tegen lunchtijd.” José Theodosio C. Almeida van de ‘Guia do Peregrino da Fátima’ schotelt de lezers de volgende scene voor “herdertjes die knielend met gevouwen handjes en gezichtjes richting de hemel aan het bidden zijn. Vogeltjes die zingen en springen van tak tot tak. Aan de hemel donkere wolken, voorbodes van noodweer. Als de kinderen klaar zijn met bidden, slaan ze een kruis. Lúcia gaat vervolgens de mand met eten halen, die ze aan een tak heeft gehangen. Het is 12 uur, exact. En ineens een lichtflits, alsof het bliksemt. De herdertjes denken dan nog dat het om noodweer gaat. Snel halen ze de schapen om naar huis te gaan voor het natuurgeweld in alle hevigheid losbarst. Maar het wordt nóg lichter en op de takken van de eik verschijnt een dame, omringd door het felste licht. Een vrouw van onvergelijkbare schoonheid, gehuld in een witte, met goud versierde, mantel. In haar handen een rozenkrans met witte kralen en een gouden kruis. De kinderen schrikken en willen vluchten. Maar een onverklaarbare kracht houdt de drie op de plek. Ze knielen en mompelen spontaan een Avé Maria. De Vrouwe richt zich tot Lúcia met – en ik citeer uit de handleiding voor pelgrims – onzeglijke tederheid. Ze meldt dat de kinderen niet angstig hoeven te zijn en raadt ze aan om te bidden en elke 13e van de maand op ditzelfde tijdstip, gedurende zes maanden, terug te komen.” En weg is Maria…

Inderdaad, elke 13e van de maand komt de Vrouwe trouw terug. Haar laatste verschijning is op 13 oktober 1917. Nieuws van deze orde kan zich ook zonder moderne communicatiemiddelen verspreiden, naar blijkt. Op 13 oktober 1917 loopt het daarom storm bij de Cova da Iria. Mijn grootmoeder, geboren in 1905, is met haar ouders richting Fátima vertrokken om bij de verschijning te zijn. Hun vervoersmiddel: een ezeltje. Het verhaal dat ze bij thuiskomst vertellen, komt overeen met wat de schrijver van de gids optekent: “Overal komen ze vandaan, van het verre noorden en het zuiden. Te voet, met ossenkarren en te paard. Op 13 oktober breekt een hevig noodweer los. Bliksemschichten verlichten het hemeldek. Ondertussen daalt de regen genadeloos op de wachtende pelgrims neer.” Anno 2016 lijkt het me absoluut geen pretje om op 13 oktober 1917 in die menigte te staan. En al helemaal niet op zo’n open vlakte tijdens onweer…

“Als de herdertjes, bedolven onder bloemen, arriveren, wordt het muisstil,” gaat de gids verder. “Alleen het vreselijke onweer is nog te horen. Lúcia verzoekt de aanwezigen om hun paraplu’s te sluiten. Daar staan ze dan: in de stromende regen. Artsen, advocaten, boeren en ambachtslui. Verenigd door hetzelfde doel: deel uitmaken van deze bijzondere historische gebeurtenis. Pas als Lúcia haar armpjes ten hemel heft, houden de elementen zich koest. De wolken breken open en de zon komt helder tevoorschijn. Een zon die razendsnel draait en verschillende kleuren vertoont. Uit de mond van de circa 70.000 mensen klinkt: een wonder, een wonder! De toeschouwers vallen op hun knieën en in koor bidden ze het Credo.”

Een wonder, een wonder

Al bijna een jaar heeft mijn moeder last van haar been. Een lelijke open wond teistert haar onderbeen. De wond is dicht, maar lijkt steeds open te willen gaan. Geen pretje, dus.

In Fátima kun je op je knieën richting de eik (niet de oorspronkelijke) waar Maria is verschenen. Met etalagebenen en een wond aan je been is dat niet aanbevelingswaardig. Je kunt gelukkig ook kaarsen aansteken. Kaarsen van allerlei formaten. Een kaars van anderhalve meter? Geen probleem! Verder heb je ook lichaamsdelen van was, waarmee je je gebeden voor genezing kunt versterken. Tot mijn stomme verbazing oppert mijn moeder dat ze deze keer niet alleen kaarsen wil, maar ook een been. Dat noopt ons op zoek te gaan naar een wassen been. In een winkeltje achter het plein (kopie van het Sint Pietersplein in Rome, trouwens) vinden we een zaak waar ze naast benen ook borsten, handen, knieën, levers, nieren, ogen, oren en eigenlijk elk lichaamsdeel in was verkopen. Een beetje melig sta ik bij de bak met benen. O jee, is het mijn moeders linker- of rechterbeen? Mijn moeder zit ondertussen in de open kerk op het plein en woont een mis bij. In de hitte naar een wassen been zoeken, leek ons voor iemand die slecht ter been is geen goed idee. Dus daar sta ik, met twee onderbenen in mijn hand, en twijfel: schaf ik nou een linker- of een rechterbeen aan? Ik graaf diep in mijn geheugen en probeer me te herinneren aan welk been de zuster om de twee dagen het verband verwisselde. Links, het is links! En nu naar de kassa en naar mijn moeder. Voor wie beeldend denkt: ik loop dus echt met een fiks onderbeen hier door Fátima. Ik moet mezelf vermanend toespreken: “Als ik er een poppenkast van maak, komt dat het genezingsproces vast niet ten goede!” Moeilijk, moeilijk. Niet lollig doen. In je frivole zomerjurk met zo’n ding in je armen en dan vooral geen grappen maken. “Het beste met je been!” of zo.

Alsof ik elke dag door Fátima loop met wassen ledematen, betreed ik het plein. Mijn moeder zit vroom te bidden in de kapel. Ik hoor de pater, die de mis in het Engels heeft opgedragen, afronden en ben verbaasd. “Lieve gelovigen, het is vakantie. Geniet er vooral van, slaap lang uit, rust uit en doe leuke dingen. Heb je naaste lief en ga heen in vrede”. Kijk, dat is nou man naar mijn hart! Helemaal vrolijk lopen we, gezegend en wel, richting de vuurzee waar de kaarsen worden gebrand. We hebben aardig wat kaarsen, want zoals mijn moeder altijd zegt:  “Ik bid voor iedereen in de familie. Ook de ongelovigen.” De bofferds! Met gevaar voor eigen leven proberen we de kaarsen aan te steken. Dat is nog een hele toer. Voor je het weet, eindig je zelf op de grill.

DSC_2713

Of het werkt? De gebeden en het offeren van een wassen onderbeen? Oordeel zelf: twee dagen na onze tocht naar Fátima hebben we een feestje. Op de klanken van Marina, Marina van Rocco Granata stapt mijn moeder van 76 de dansvloer op. Niet gehinderd door een oude wond en een stel etalagebenen danst ze de sterren van de hemel. Ook de dag erna: geen last. Een wonder, een wonder!

DSC_2711
Mijn man beweert altijd dat ik prevel. In werkelijkheid heeft hij behoorlijk wat gehoorverlies. We hadden gehoopt dat een oor soelaas zou bieden. Maar een uitermate scherp gehoor laat nog even op zich wachten, helaas…

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s