Hoera: Zin in Portugal bestaat deze week 7 jaar!

Inmiddels ben ik 235 stukjes verder. Waarom? Omdat ik de behoefte voel om het gebied rondom Caldas da Rainha op de kaart te zetten en omdat Portugal het verdient om uit de toeristische schaduw van Spanje te komen. En dat lukt aardig. Ik merk dat steeds meer mensen de weg naar deze hoek van het Iberisch schiereiland weten te vinden. Zo erg zelfs dat mijn man, die in een vorig leven vast kluizenaar is geweest, in de zomers wel eens verzucht ‘als jij doorgaat met schrijven, komen er nóg meer mensen’.

Portugal, mijn lieve Portugal, met zijn trotse verleden, fotogenieke dorpjes, verscheidenheid aan natuur, uitgestrekte zandstranden en lekkernijen. Laatst zei iemand die door Óbidos wandelde verbaasd: “Van Italië wordt altijd gezegd dat er om elke hoek wel iets moois te zien is, nou hier ook!”

En van al dat moois doe ik al 7 jaar met veel plezier verslag. Ik vermeng de beeldverhalen, – blogposts noem ik ze liever niet want dan lijk ik wel een dikbetaalde influencer – graag met persoonlijke verhalen over onze kleine boerenfamilie. Ondertussen ontvangen 630 trouwe volgers mijn beeldverhalen rechtstreeks in hun inbox en zag ik net dat Facebook, waar elk nieuw beeldverhaal met een kattenbelletje even wordt aangekondigd, 2136 volgers heeft.

Trip down memory lane

Voor deze ‘trip down memory lane’ heb ik vanmiddag wat foto’s opgezocht en deze eens beter bestudeerd. Ik kom tot de conclusie dat mijn opa niet snel tevreden was met een pasfoto. Zo heeft hij op 28 februari 1968 voor 15 escudo’s bij Fotografia Pereira een serie pasfoto’s laten maken, om het een dag later bij Foto Paris nog eens dunnetjes over te doen. Blijkbaar wilde hij op zijn ‘bilhete de identidade‘ (identiteitskaart) er nóg charmanter opstaan. Nu ik erover nadenk: volgens mij heb ik deze tik van hem geërfd, gezien het aantal selfies in mijn smartphone… De foto rechts dateert trouwens uit 1947. Hij was toen 36 jaar oud.

Dit knappe heerschap hierboven is mijn vader zaliger. Wonderlijk dat hij er met een stropdas op staat. Zijn aversie tegen een pak en stropdas moet dus van latere datum zijn. Ik kan mijn vader uittekenen in een hemd en werkbroek, niet in een pak met stropdas.

Mijn tante Tia is een verhaal apart. Tot op de dag van vandaag heeft ze een dikke bos haar. Zelf klaagt ze dat het allang niet meer is wat het is geweest. En dát is erg als er zelfs nu nog oude heren zijn die me nog niet eens zo lang geleden hebben toevertrouwd dat ze zich de mooie verschijning van een jong meisje met een lange dikke paardenstaart helder kunnen herinneren. Als ik de nu tachtigjarigen mag geloven was het ranke meisje dat haar vader en broer van wat te eten kwam voorzien een leuke afleiding voor het oogstende manvolk.

Ik snap daarom werkelijk niet waarom ze ergens in de jaren zestig haar lange haren heeft afgeknipt. Op haar trouwfoto’s pronkt de sinaasappelbloesem fier in kort haar. Voor wie geen idee van de symboliek van de sinaasappelbloesem heeft: in het wit trouwen met die bloesem in je haar betekent dat je nog maagd bent. Ik heb namelijk eindeloos hun lichtend voorbeeld moeten aanhoren: ‘Wij zijn zeven jaar verloofd geweest, maar ik kon trouwen met de sinaasappelbloesem in mijn haar’. Kijk, dát waren nog eens tijden …

Mijn eerste beeldverhaal: over Alcobaça en de grote liefde van een koningszoon

Mijn eerste stukje op Zin in Portugal ging over Alcobaça. Ik kan tot vervelens toe bezoek vragen of ze van mij het liefdesverhaal van de Portugese kroonprins Pedro en zijn mooie Inês de Castro willen horen. Zij liggen in twee tombes in de kathedraal van Alcobaça met de voeten naar elkaar zodat ze op de Dag des Oordeels elkaar als eerste weer in de ogen kunnen kijken. Hoe romantisch wil je het hebben in de aanloop naar 14 februari? Daarom nog één keer, hieronder mijn allereerste beeldverhaal:

Elk jaar hetzelfde ritueel: zodra de torens van de kerk bij het klooster van Alcobaça opdoemen begint mijn vader over Pedro en Inês de Castro. Ik kan me nog goed de witte Renault 16 herinneren waarmee we begin jaren zeventig in vier lange dagen de weg van Nederland naar Caldas da Rainha afleggen. Het is vaste prik: vanaf de grens bij Vilar Formosa is mijn Portugese vader niet meer te houden. Hij wil naar huis, naar de familieboerderij die hij in Nederland zo hevig heeft moeten missen.

Eindeloos duurt de kronkelige, smalle route door de bergen bij Guarda naar de iets betere en bredere wegen aan de kust. Vaardig leidt hij ons, zijn Nederlandse vrouw en twee kleine meisjes, naar zijn roots. Vol ontzag kijk ik urenlang uit het raam en bid om niet ook te eindigen zoals de bussen en auto’s die we beneden in de ravijnen zien liggen. Het helpt niet echt dat mijn vader ons op elk voertuig, meestal zonder ruiten en onderste boven, in het dal wijst.

Pas in de buurt van Batalha lijkt het grote gevaar geweken en zodra de torens van Alcobaça in het zicht komen en mijn vader vraagt of we willen dat hij het verhaal van Pedro en Inês de Castro nog een keer vertelt, weet ik: we hebben de reis weer overleefd.

Natuurlijk, je kunt in geschiedenisboekjes opzoeken hoe het Pedro en Inês is vergaan. Een korte samenvatting vind je in elke Capitoolreisgids. Maar nog voordat ik kon lezen, ben ik via de orale overlevering betoverd geraakt door dit bijzondere liefdesverhaal. Rijdend langs het klooster in Alcobaça – vroeger heeft de weg altijd dwars door de stad geleid – voelde mijn vader de onbedwingbare neiging te vertellen over Pedro en de Spaanse Inês de Castro. Elk jaar weer. Ik hoor hem nu weer:

“Lang geleden was er eens een koningszoon die met een Spaanse prinses moest trouwen. Toen zij aankwam, zag hij een prachtige vrouw. Ze had lange blonde haren en liep voorop. Pedro was meteen verliefd. Maar wat bleek: het was niet de prinses met wie hij moest trouwen, nee, het was een van haar hofdames.

Hij wilde Inês, want zo heette de hofdame, en niet prinses Constança. Maar ja, hij was een koningszoon en had niets te willen, dus hij trouwde met Constança. Maar Inês kon hij niet uit zijn gedachten krijgen en hoewel hij getrouwd was met Constança, was hij altijd bij Inês. Constança vond dat niet leuk en werd steeds bleker. Vooral toen Pedro kinderen met Inês kreeg. Ook de vader van Pedro, de koning, vond het maar niets.

Pedro ging vaak jagen en toen hij een keer op pad was, is de koning naar het huis van Inês, in Coimbra, gegaan. Inês zag de koning komen en dacht  ‘die wil me vermoorden’. Om dit te voorkomen liet ze haar kinderen als een schild voor zich uit lopen.  Aan de koning en vader van Pedro zei ze alleen: “Dit is je bloed, dit zijn je kleinkinderen, wil je hun moeder doden?” De koning kon het niet verdragen en keerde naar huis terug zonder Inês iets aan te doen.

Maar de druk werd met de jaren groter. Er werd aan het hof gefluisterd dat de familie van Inês de macht wilde grijpen. Bovendien werd de familie van prinses Constança met de dag vervelender. Constança was ondertussen van verdriet overleden! Waarom werd er geen actie ondernomen? Hoe kon het dat de koning goedkeurde dat zijn zoon leefde met Inês de Castro, terwijl de prinses was weggekwijnd en door gebrek aan aandacht was overleden?

De Spanjaarden namen dit niet en er kwam oorlog. Onder druk van de hofhouding besloot de koning om Inês toch te laten vermoorden. Hij betaalde drie mannen om de klus te klaren. Op een dag kwam Pedro terug  van een jachtpartij en zag Inês onthoofd liggen. Hij hoorde dat de drie moordenaars naar Spanje waren gevlucht. Pedro was kapot van verdriet. Maar wat vreemd: Pedro reageerde niet. Pedro deed niets en de koning besefte toen: hij wacht totdat ik dood ben.

En inderdaad: het eerste wat Pedro deed na het overlijden van zijn vader, de koning,  was Spanje om vrede vragen.  Hij had maar één eis: de uitlevering van de moordenaars van Inês. Een wist naar Frankrijk te vluchten, maar de andere twee werden in Portugal afgeleverd.”

Op dit punt van het verhaal zakte de stem van mijn vader altijd en fluisterde hij, om ons toch enigszins de gruwelijke details te besparen.

“Deze mannen hebben een hele nare dood gekregen, dat snappen jullie wel. Ze zijn eerst flink gemarteld. Daarna heeft Pedro uit hun nog levende lijven het hart laten snijden. Daar heeft hij zijn tanden in gezet en het uiteengescheurd.

Maar ja: hiermee had Pedro zijn lieve, mooie Inês niet terug. Nee, hij liet haar opgraven uit het graf in Coimbra. Natuurlijk zag ze er niet meer mooi uit. Ze was een lijk, al verteerd. Maar dat deerde Pedro niet. Hij plaatste Inês de kroon op het hoofd, kroonde haar tot koningin van Portugal en zei tegen iedereen die het wilde horen: “ Zij was mijn vrouw! Ik ben met haar getrouwd nadat Constança is overleden. Naast me staat een bisschop die dit kan bevestigen.” Pedro riep luid en duidelijk: “Zij is jullie koningin. Bewijs haar nu de eer, kus haar hand. NU!”

Pedro ging naast de troon staan waar hij Inês, of nou ja, wat er over was van Inês, op had gezet en zag er persoonlijk op toe dat de hele hofhouding de vieze, stinkende hand van Inês kuste. Na deze ceremonie liet hij haar van Coimbra naar Alcobaça brengen, waar hij ondertussen een enorme graftombe voor Inês had laten maken.

De reis van Coimbra naar Alcobaça duurde in de veertiende eeuw natuurlijk erg lang, want ze hadden geen witte auto, maar paarden. Het laatste stuk van de reis viel de duister in en werd het nacht.  Pedro liet de weg met fakkels verlichten, zodat ze niet in het donker hoefde te reizen,  en zo is Inês, net als jullie nu, over deze weg naar deze kerk gegaan en hier begraven.

Pedro zelf ligt er trouwens ook. Hij heeft in zijn testament geëist dat de beide graftomben met de voeten tegen elkaar zouden worden geplaatst, zodat hij op de Dag des Oordeels, als iedereen weer uit de dood wakker wordt, opnieuw tegenover Inês zou staan, net als vroeger toen ze nog leefden.”

Meer over Alcobaça

Alcobaça staat bekend als ‘stad der zoetigheden’. Veel recepten uit het klooster zijn bewaard gebleven en de ‘doces conventuais’ (zoetigheden uit het klooster) zijn in de plaatselijke pastelarias te proeven. Aan mij is zo’n tripje naar Alcobaça altijd wel besteed. Op de een of andere manier ben ik er meestal tegen de tijd van de ‘lanche’ (vijfuurtje) waardoor ik wel trek heb in iets lekkers. Ik maak hier bewust geen reclame meer voor de pijpenla voor het klooster van Pastelaria Alcôa (staat in alle gidsen vermeld en heeft ook in Lissabon een zaak). Já, deze banketbakker heeft vele prijzen gewonnen. Maar dat hebben er wel meer. Waarom ik niet enthousiast ben? Je betaalt de hoofdprijs én dan krijg je er een chagrijnige bediening bij. En nee, dit is niet op één keertje pech gebaseerd, maar op vele keren pech. Ik heb het opgegeven. Het wemelt in Portugal van de banketbakkers én in Alcobaça helemaal.

Als je dan tóch in Alcobaça bent en niet kunt kiezen tussen al het lekkers, dan maar meteen van alles wat proeven en met elkaar delen, toch?

Maar goed, je komt natuurlijk ook voor het klooster en de kloostergangen. Steeds ontdek ik in het Mosteiro de Alcobaça weer iets nieuws. Nu ineens vielen de vele teksten in de muren me op en ik heb me ook al eens vermaakt met speuren naar tekens van de tempeliers.

Maar het mooist vind ik de keuken met de kolossale betegelde schoorsteen. Ik zie een os aan het spit draaien, monniken die druk zijn met bakken en braden en met een beetje fantasie ruik je het brood dat in de oven ligt. Ook fijn, de riviertjes Alcôa en Baça zijn omgelegd om door de keuken te stromen, dus je hoeft niet naar een put om water te halen. De foto geeft een ietwat vertekend beeld, omdat ik de panoramastand van mijn mobiel heb moeten gebruiken om de schoorsteen én de hele ruimte erop te krijgen.

Zoek bij een bezoek vooral de kleine wenteltrappetjes op die naar de bovenste galerij en terras met zonnewijzer leiden! Daar heb je mooi zicht op de waterspuwers.

Handig om te weten: de kathedraal is vrij te bezichtigen. Je kunt gewoon naar de tombes van Pedro en Inês lopen. Voor het klooster met al het fraais heb je een toegangsbewijs van 6 euro nodig. Tegenwoordig zijn er ook combinatietickets voor Alcobaça, Batalha en Tomar (Convento de Cristo) te krijgen (15 euro). Dus als je tóch van plan bent om deze drie te bezoeken dan scheelt dit 3 euro. Overigens: als je deze drie doet, kun je Fátima ook wel meepakken.

Deze ansichtkaart kwam ik tegen toen ik vandaag op zoek was naar oude foto’s. Dit is een bijzondere foto van Fátima, want de zuilen à la Sint Pietersplein in Rome ontbreken hier nog.

Handig om te weten: families én 65plus krijgen in Portugal flinke korting. Vraag ernaar! Ben je werkloos en woon je in de EU, kun je vaak ook gratis naar binnen als je daarvan een bewijsje overlegt. Op zondag(morgen) is de toegang tot veel monumenten voor ingezetenen gratis (niet voor toeristen!).

Website Mosteiro de Alcobaça met informatie in het Engels : www.mosterioalcobaca.gov.pt

Website van de regering met toeristische informatie over heel Portugal in het Nederlands (!): www.visitportugal.com

Tegen de tijd dat ik in Alcobaça naar mijn auto terugloop, is de avond meestal gevallen. Mijn route heen van de gratis grote stadsparkeerplaats – vlakbij de rotonde van de Avenida dos Combatentes achter het klooster – is makkelijk, want het klooster is niet te missen, maar terug loop ik door het stadje en dan kom ik door deze mooie straatjes.

Afgelopen week ben ik door Covid19 geveld geweest (ik snap weinig van de berichten dat het meevalt). Nu ik snel aan het opkrabbelen ben, zit ik me alweer te verheugen op een volgend bezoek aan Alcobaça. Mijn vader reed ons vroeger graag naar deze stad om er te gaan lunchen. Ik herinner me verrukkelijke kippensoep in een straatje loodrecht op de kathedraal. Het restaurant bestaat allang niet meer, maar onlangs stuitte ik op Instagram op een restaurant met gerechten die er zo lekker uitzien dat ik daar ook wel voor naar Alcobaça wil rijden: Restaurante António Padeiro . Het restaurant schijnt sinds 2018 in de Michelingids te staan, dus de verwachtingen zijn hooggespannen… Als het zo ver is, laat ik het weten of we teleurgesteld of juichend weer terug naar Caldas da Rainha rijden. Maar nu eerst zien dat ik weer de fitste versie van mezelf word en laten we hopen dat mijn favoriete mantelzorger, die me deze week van ontelbare koppen thee met honing heeft voorzien, niet ook dit geniepige virus meepakt.

Meer beeldverhalen over een Portugese boerenfamilie of het gebied rondom Caldas da Rainha lezen? Klik dan op een van de onderstaande linkjes.

Over ‘Hollandse’ vluchtelingen die in 1902 zijn ondergebracht in het park van Caldas da Rainha: School der Boerenballingen . De originele ansichtkaart die in Amsterdam ruim 120 jaar geleden in de kerken geld moest opbrengen om ‘landgenoten’ in het verre Portugal te ondersteunen heb ik na enig speurwerk op internet gevonden. Deze kaart leeft geschiedenis, want zijn er nu ook niet mensen op de vlucht voor oorlog en verderf?

Ook in de tweede wereldoorlog heeft Caldas da Rainha mensen op de vlucht voor het Nazi-regime een plek geboden. Wie niet meteen naar Amerika kon doorreizen, heeft waarschijnlijk in wat nu Sana Silver Coast is of bij Café Bocage koffie gedronken. Bewegende beelden hiervan zijn opgenomen in het archief van Steven Spielberg (hij heeft een archief met beeldmateriaal van Joden gedurende de tweede wereldoorlog). De link vind je in het artikel Boter en Bacalhau in de oorlog.

Mijn tante met de mooie kop haar is een rasvertelster. Lees het verhaal Vier jaar lagere school.

In “De min van mijn vader” meer over het begrip ‘as Amas das Caldas’. De minnen van Caldas waren ooit beroemd in heel Portugal. Boerenvrouwen uit deze stad stonden namelijk bekend als goede minnen voor vrouwen die geen borstvoeding konden of vanwege hun stand mochten geven. De keramist Bordallo Pinheiro (1846 – 1905) heeft karikaturen van veel van zijn stadsgenoten gemaakt. De min met contente boreling die nu in groot formaat voor het Culturele Centrum staat is by far mijn favoriet!

Wij gaan vaak naar Fátima. Baat het niet dan schaadt het niet, toch? Mijn oma is als klein meisje bij ‘een verschijning van Maria’ geweest. Extra leuk is het om met een oud gidsje in je hand het Fátima van nu te verkennen : Naar Fátima met een handleiding voor pelgrims uit 1929.

Over ons gebruik om de familiegraven in ere te houden: Gezellig graven poetsen

Wij hebben verzamelaarsgenen en weggooien vinden we moeilijk. Dus: Oude meuk of hartstikke vintage?

Deze oude agenda’s zijn een bron van informatie (je vindt er onder andere in terug wanneer wat geoogst werd – op 18 oktober 1949 werden er olijven geplukt)

Schitterende namen komen er in voor. Namen die je anno 2022 niet veel meer hoort: Etelvina, Lucilia, Idalina, Maria Elizia.


Net als de 630 anderen geen beeldverhaal van Zin in Portugal meer missen? Tik je e-mailadres bij de volgknop in. Een volgend verhaal verschijnt dan meteen in je inbox.

Stay safe e até breve!

2 reacties Voeg uw reactie toe

  1. Len schreef:

    Weer mooi en bijzonder interessant om te lezen. En herinneringen aan je vader. Dank je wel. Groetjes Theo en Len.

    Like

  2. Christiane en Hein schreef:

    Leuk om te lezen! Zo pik je wat achtergrondinfo mee. Groetjes Christiane en Hein

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s